Terug

ICD therapie

De ICD kan op twee manieren ingrijpen bij hartritmestoornissen:
Anti Tachy Pacing (ATP): reeks korte en snelle stimulatiepulsen.
Cardioversie en defibrillatie: een krachtige shock.

Anti Tachy Pacing (ATP)
Als er sprake is van een snelle, maar nog regelmatige, kamerritmestoornis (‘ventrikel-tachycardie’), dan kan de ICD deze proberen te stoppen met een reeks korte en snelle stimulatiepulsen (‘pacen’). Meestal merkt u daar niets van. Wel kunt u uw hart sneller voelen kloppen en, door de stoornis zelf, eventueel duizelig worden. ATP kan een ventrikeltachycardie vaak stoppen zonder dat een shock nodig is. ATP werkt echter niet bij ventrikelfibrilleren.

Cardioversie en defibrillatie
Als de ventrikeltachycardie niet met ATP kan worden beëindigd, dan geeft de ICD een korte krachtige stroomimpuls af (‘shock’). Dit noemen we cardioversie. Als de ICD moet ingrijpen bij een heel snel én onregelmatig hartritme (‘ventrikelfibrilleren’) dan noemen we de shock defibrillatie. De shock die tijdens cardioversie of defibrillatie wordt afgegeven herstelt op een betrouwbare en doeltreffende manier het normale hartritme.

Na de therapie (ATP of shock) gaat de ICD weer terug in zijn normale waakstand.

Aantal shocks
Soms kunnen meerdere shocks nodig zijn om het hartritme te herstellen. Dit aantal is beperkt tot 5-8, afhankelijk van het merk ICD. Dit voorkomt dat een ICD eindeloos shocks zou afgeven bij een technische storing. Bovendien is de kans klein dat een shock na vijf pogingen nog effectief is.

Lees meer over de shock van een ICD.

Laatste update: 25 dagen geleden